|
Geachte heer Jansen,
Een belangrijk onderdeel van onze dienstverlening aan u is, dat wij u informeren over voor u relevante ontwikkelingen op financieel en fiscaal gebied. In dat kader maken wij u attent op het volgende. Deze nieuwsbrief bevat de volgende onderwerpen:
Kamervragen over BTW-correctie privé-gebruik auto door werknemers
De omzetbelasting, die betrekking heeft op een bedrijfsauto, kan als voorbelasting worden verrekend. Daarop moet een correctie worden aangebracht voor het privé gebruik van de auto door een werknemer. Het woon-werkverkeer van de werknemer is onderdeel van het privé-gebruik. De correctie moet worden berekend aan de hand van het werkelijke privé-gebruik. De staatssecretaris van Financien heeft in een besluit uit 2002 goedgekeurd dat de correctie voor het privé-gebruik van de auto door een werknemer wordt vastgesteld op 12% van 25% van de catalogusprijs van de auto. Deze berekeningsmethode sluit aan bij de regeling voor de correctie van de omzetbelasting voor het privé-gebruik van een bedrijfsauto door de ondernemer. Per 1 januari 2004 is het besluit uit 2002 aangepast. De goedkeurende regeling is daarbij gehandhaafd. Een ondernemer is niet verplicht om van de forfaitaire regeling gebruik te maken. Over de forfaitaire regeling zijn Kamervragen gesteld. Deze hebben met name betrekking op het percentage van 25, dat afwijkt van het bijtellingspercentage in de inkomstenbelasting. Die afwijking is veroorzaakt door het verschil in karakter van het woon-werkverkeer. Voor de inkomstenbelasting is dit zakelijk verkeer, voor de omzetbelasting is het privé-gebruik.
Goedkeuring Financien vaste vergoeding woon-werkverkeer en salderingsregeling reiskosten
Met ingang van 1 januari 2004 is de regeling voor de vergoeding van reiskosten vereenvoudigd. Zowel voor woon-werkverkeer als voor andere zakelijke reizen geldt voortaan een maximale belastingvrije vergoeding van ? 0,18 per kilometer. Dit bedrag is onafhankelijk van het gekozen vervoermiddel. Voor 1 januari golden voor woon-werkverkeer lagere en voor andere zakelijke kilometers hogere bedragen. Als een werkgever een vergoedingsregeling heeft met verschillende bedragen is het niet zonder meer mogelijk om de fiscale ruimte en de fiscale bovenmatigheid met elkaar te compenseren. Als in de regeling een compensatiemogelijkheid wordt opgenomen voor 1 juli 2004 heeft deze aanvulling terugwerkende kracht tot 1 januari 2004. Zonder zo'n salderingsmogelijkheid moet de werkgever in ieder tijdvak het bovenmatige bedrag van de vergoeding voor de dienstreizen in de heffing betrekken.
Als de reiskostenregeling een salderingsmogelijkheid bevat, mag de werkgever de heffing uitstellen. De heffing na saldering moet uiterlijk plaatsvinden in de eerste maand van het nieuwe kalenderjaar. Als na saldering de gemiddelde vergoeding per kilometer (totale reiskostenvergoeding gedeeld door totaal aantal kilometers) lager is dan ? 0,18 per kilometer is de totale reisvergoeding onbelast.
De staatssecretaris heeft in dit besluit een praktische regeling gegeven voor een vaste vergoeding van reiskosten. Als de totale reisafstand, dat wil zeggen heen en terug, niet meer bedraagt dan 150 km hoeft geen nacalculatie plaats te vinden. De vergoeding bedraagt op jaarbasis het aantal werkdagen verminderd met een gemiddeld aantal dagen van afwezigheid. Het aantal werkdagen is gesteld op 260, het aantal verzuimdagen op 54. De vergoeding is dan de reisafstand maal 206 maal ? 0,18. De vaste vrije vergoeding per maand is 1/12 deel hiervan. Toepassing van deze regeling heeft tot gevolg, dat er geen ruimte is voor declaratie van extra reizen naar de desbetreffende bestemming(en).
Kleine werkruimte eigen woning in box 1 of in box 3?
In een vraag- en antwoordbesluit heeft de staatssecretaris van Financiën een toelichting gegeven op de fiscale behandeling van de werkruimte in de eigen woning van een ondernemer of resultaatgenieter. Voor de zogenaamde kleine werkruimte geldt het volgende. Een kleine werkruimte valt nu niet onder de terbeschikkingstellingsregeling. Deze werkruimte blijft onderdeel van de eigen woning, hoewel bij de invoering van de wet IB 2001 is gezegd, dat de kleine werkruimte in box 3 valt. De staatssecretaris keurt daarom met ingang van 1 januari 2001 goed dat naar keuze de eigenwoningregeling (box 1) of de box 3-regeling van toepassing is. De keuze die u maakt is definitief en geldt voor alle jaren vanaf 2001 tot en met 2004. Het aan de werkruimte toe te rekenen gedeelte van een financieringsschuld van de woning volgt de werkruimte. Ambtshalve vermindering van al vaststaande aanslagen is mogelijk.
Met ingang van 2005 geldt een nieuwe regeling. De grootte van de werkruimte is dan voor de terbeschikkingstellingsregeling niet meer van belang. Als onderscheidend criterium geldt dan dat de werkruimte een zelfstandig deel van de woning vormt. Daarnaast geldt een inkomenscriterium. Als aan beide voorwaarden is voldaan behoort de werkruimte tot het resultaatsvermogen. Zo niet, dan blijft de werkruimte onderdeel van de eigen woning.
Geen verhoogde stakingsaftrek omdat ondernemer nog geen 55 jaar oud was op het moment van staking
Een ondernemer beëindigde in 2001 zijn onderneming. In zijn aangifte deed hij een beroep op de stakingswinstvrijstelling. Die vrijstelling betekent, dat een gedeelte van de winst die bij de beëindiging van de onderneming wordt behaald, niet is belast. In geschil was of hij recht had op de verhoogde vrijstelling, omdat hij in het jaar van beëindiging 55 jaar werd. Naar het oordeel van Hof Den Haag had hij geen recht op de verhoogde vrijstelling. Op het moment van de beëindiging was hij nog geen 55 jaar oud.
Keuze etikettering woning als bedrijfsvermogen definitief vanwege onherroepelijke fiscale gevolgen
In een procedure over de aanslag inkomstenbelasting in het jaar van de bedrijfsbeëindiging door een ondernemer is in geschil wat de winst is op het bedrijfspand. Dat pand bestaat uit de bedrijfsdeel en een woonhuis. Het geheel staat op de fiscale balans van de onderneming. De ondernemer is van mening, dat de woning ten onrechte op de balans is gezet en dat daarom geen winst op de woning hoeft te worden verantwoord. Omdat het bedrijfsgedeelte samen met de woning kadastraal één geheel was en vanuit de woning toezicht op het bedrijf kon worden uitgeoefend, is het Hof van oordeel dat de woning keuzevermogen is. Door het opnemen van de gehele onroerende zaak op de fiscale balans heeft de ondernemer gekozen voor ondernemingsvermogen. Omdat deze keuze onherroepelijke fiscale gevolgen heeft gehad, kan daarop niet worden teruggekomen. Dat betekent, dat de waardeverandering van de woning onderdeel is van de winst. Het Hof volgt de taxatie van de inspecteur, omdat die inhoudelijk slechts is bestreden door te wijzen naar de WOZ-beschikking van het gehele pand. Die was wel iets lager, maar de peildatum was eerder dan de datum waarop het bedrijf werd beëindigd.
Met vriendelijke groet,
Accountantskantoor Beens
|